Geschiedenis

Op zondag 9 februari 1890 werd in de Doopsgezinde kerk te Arnhem een nieuw Leichel-orgel in gebruik genomen. Wegens sluiting van het kerkgebouw van deze Gemeente werd in 1999 het orgel verkocht aan de Gereformeerde Gemeente te Rhenen. Het werd daar op 13 december 2001 opnieuw in gebruik genomen.

De orgelmaker Friedrich Gerhard Leichel (1824-1890), afkomstig uit Düsseldorf, (niet te verwarren met orgelmaker E. Leichel uit Duisburg en later Arnhem) vestigde zich in 1886 te Lochem en begon daar samen met zijn zoon Hermann Friedrich Carl (1859-1935) een orgelbouwbedrijf.

Zij voerden reparaties uit aan diverse orgels en maakten nieuw instrumenten voor kerken in o.a. Bennekom, Wognum, Hilversum en de Cunerakerk te Rhenen. Zij waren vooruitstrevend en maakten bijvoorbeeld al vroeg orgels met de zogenaamde buizenpneumatiek.

Opmerkelijk aan het Arnhemse orgel is dan ook de gevolgde traditionele bouwwijze: mechanische tractuur, sleepladen uitgevoerd in massief eiken en schilderwerk van de orgelkassen met bladgoud.

Reeds in 1873 werkte F. Leichel vanuit Düsseldorf aan het orgel in de Cunerakerk te Rhenen door o.a. een uitbreiding te verwezenlijken tot een drie-klaviers instrument. Wegens een torenbrand in 1897 is dit orgel echter verloren gegaan. In 1900 werd door Leichel een nieuw orgel voor de Cunerakerk gebouwd. Dit orgel is door oorlogsgeweld in 1945 zwaar beschadigd en is helaas ook verloren gegaan. Het is historisch gezien verheugend dat er in Rhenen nu weer een Leichel-orgel staat.

Op 23 juli 1889 werd opdracht gegeven aan Firma Leichel en Zonen te Lochem voor het bouwen van een orgel in de Doopsgezinde Gemeente te Arnhem voor de prijs van f 2.250,-. Het bestek vermeldde twee klavieren en aangehangen pedaal.

Hoofdmanuaal
Prestant8 vt(Engels tin)
Bourdon16 vt(2 laagste octaven eikenhout, rest metaal)
Holpijp8 vt(1 octaaf eikenhout, rest metaal)
Octaaf4 vt(metaal)
Quint3 vt(metaal)
Open Fluit2 vt(metaal)
Trompet8 vtdisc.(de lichamen metaal; mondstukken, krukken,
Trompet8 vtbastongen en kelen van koper)

Bovenmanuaal
Salicionaal8 vt(1 octaaf eikenhout, rest metaal)
Viola da Gamba8 vt(idem)
Lieflijk Gedekt8 vt(idem)
Flute d'Amour4 vt(metaal)

Manuaalkoppel en Ventiel

Metaallegering: 2/3 tin en 1/3 lood. 20 jaar garantie.
De opdracht vermeldde verder:
"De registers moeten zacht en lieflijk geïntoneerd worden en naar gelijkzwevende temperatuur gestemd worden (De prestant mag wel de kerktoon hebben)".

In 1910 werd op advies van de toenmalige organist M.A. Brandts Buys bij drie orgelbouwers prijsopgave gevraagd voor verbouwing van het orgel, met plaatsing van een vrij pedaal.
Firma Leichel kwam uit op f1.525,-.
Firma J. de Koff uit Utrecht noteerde f1.488,-.
Er werd echter een nieuw plan gemaakt.
Op 7 oktober 1912 werd aan orgelbouwer Maarschalkerweerd te Utrecht opdracht gegeven het orgel te wijzigen voor f1.185,-. De verbouwingsopdracht bestond uit:
1. Aanbrengen van een vrij pedaal met 3 registers.
2. Maken van een nieuwe Trompet 8'.
3. Het tweede klavier in een zwelkast plaatsen.
4. Schoonmaken en stemmen.

Het voorstel om de Quint 3' te vervangen door een Violon 8' werd niet uitgevoerd.
De organist M.A. Brandts Buys trad op als adviseur.
Het werk werd opgeleverd in februari 1913. De werkzaamheden waren zeer ingrijpend: De windladen van het Bovenwerk werd uit de Leichel-kas genomen, omdat in de kas geen ruimte was voor de gewenste zwelkast. Maarschalkerweerd plaatste de Bovenwerk-lade pal tegen de achterpanelen van de orginele kas, en maakte een kas (achter de bestaande kas) met jaloezieën naar de achterzijde. Het Bovenwerk werd zo hoog geplaatst dat de pedaalkas, die weer achter de Bovenwerk-kas kwam, de uitspraak van het nieuwe zwelwerk niet zou belemmeren. Waarschijnlijk was het Bovenwerk door Leichel als Dwarswerk geplaatst, gezien de chromatische opstelling, en met hartmaten van de ventielen nagenoeg op klavier mensuur. Deze opstelling zien we ook bij het Van Dam-orgel uit 1892 in Enschede (crescendo-klavier). Het pijpwerk van het Pedaal kreeg een pyramide-opstelling; en de pedaalkas dus een puntdak.
De totale diepte van de kas werd door deze ingreep 3.70 meter.

In 1931 werd een electrische windvoorziening aangebracht.
Tevens werd op het 2e klavier de Salicionaal 8vt vervangen door een Celeste 8vt.
De kosten van de ingreep bedroegen f400,-

In 1938 voerde J. Kunst, orgelmaker te Arnhem, de volgende werkzaamheden uit:
1. Vernieuwing pedaalvoorplaten.
2. Veranderen abstracten pedaal i.v.m. zweltrede.
3. Veranderen pedaalkoppelstiften.

Uit de verandering aan de pedaalabstracten blijkt dat de bediening van de zwelkast in 1912 mogelijk niet werd uitgevoerd op de wijze zoals de zweltrede nu is gesitueerd.

In 1940 repareerde J. Kunst kleine mankementen aan het orgel en plaatste een tremulant.

Hoewel de oorlogshandelingen in september 1944 zich niet ver van de Doopsgezinde Kerk afspeelden, bleef de schade aan de kerk beperkt tot de inslag van een enkele granaatscherf. In de frontpijp F-groot, de meesst linkse pijp in het middenveld, is een dichtgesoldeerd gat te zien, ook aan de achterzijde van deze pijp is op dezelfde plaats een gat dichtgesoldeerd; dit zou mogelijk een litteken kunnen zijn van het oorlogsgeweld.

Naast de meest ingrijpende veranderingen aan het orgel in 1912 waren ook de veranderingen uitgevoerd in 1958 ingrijpen voor het klankkarakter van het orgel. Naar wens van organist en gemeente kreeg orgelmaker Sanders te Utrecht toen opdracht de totaalklank van het orgel meer herlderheid te geven. Hiervoer moesten offers worden gebracht. Op het Hoofdwerk werd de Bourdon 16vt vervangen door een Roerfluit 4vt en werd er een Mixtuur 3st bijgeplaatst. De deling van de Trompet 8vt in bas en disc. werd ongedaan gemaakt. Op het Bovenwerk kwam een Woudfluit 2vt op de plaats van de Celeste 8vt te staan. Een Tertiaan 2st werd op het Bovenwerk toegevoegd.

In 1968 werd het onderhoud aan de Fa. Reil te Heerde opgedragen. Met de gelden van een legaat en de opbrangst van een bazar kon een restauratie worden uitgevoerd. De werkzaamheden bestonden uit o.a.:
1. De windvoorziening verbeteren.
2. De pneumatische pedaaltractuur wijzigen in een mechanische tractuur.
3. De Tertiaan 2st ombouwen tot Sexquialter 2st.
4. De Bourdonbas 8vt van het pedaal vervangen door een Octaaf 4vt.

De kleur van de orgelkas was oorspronkelijk donkerbruin; in de jaren vijftig is de kas met de muren van de kerk meegschilderd in een lichtgroene kleur. In 1988 is de kas evenals het interieur in een crème-wit kleur geschilderd.

Wegen sluiting van De Vermaning, het kerkgebouw van de Doopsgezinde Gemeente te Arnhem, om financiële redenen, moest per 1 juli 1999 ook de kerkinventaris verkocht worden. Het Leichel-orgel kwam in bezit van de Gereformeerde Gemeente te Rhenen.

Op 26 mei 1999 tekende de kerkenraad van de Gereformeerde Gemeente te Rhenen een contract met Orgelmakerij Boogaard te Rijssen. Als adviseur bij de werkzaamheden werd Herman van Vliet benoemd. De opgedragen werkzaamheden waren:
1.Demonteren van het orgel in Arnhem, opslag in Rijssen, opbouw en afregelen in de nieuwe kerk te Rhenen.
2.Egalisatie van de intonatie en het uitvoeren van een generale stemming
3.Na demontage zou worden vastgesteld welke restauratiewerkzaamheden noodzakelijk waren om het instrument in Rhenen opnieuw tot klinken te brengen.

Op 7 juni 1999 klonk het orgel voor het laatst in Arnhem.
Het orgel werd gedemonteerd en opgeslagen in Rijssen.
Architect W.M. van Beijnum ontwierp een nieuw kerkgebouw voor de Gereformeerde Gemeente te Rhenen. In dit ontwerp is het Leichel-rgel op natuurlijke wijze geïntegreerd. Het orgel kreeg een plaats boven de kansel. De balustrade, aan weerszijde van het orgel, werd ook uit Arnhem meegenomen en in Rhenen herplaatst. Deze balustrade diende als voorbeeld bij het maken van de balustrade van de galerij tegenover het orgel. Ook de akoestiek ten gunste van het orgel heeft de nodige aandacht gekregen.
Op 5 januari 2001 is door orgelcommissie, adviseur en orgelmaker overleg gevoerd over de uit te voeren restauratiewerkzaamheden.
De bestaande situatie, aangetroffen in Arnhem, bleef gehandhaafd. Uitgangspunt was het conserveren van het orgel. In detail kon, gezien de financiële middelen, aan het concept worden veranderd.

De werkzaamheden hebben het volgende omvat:

Windladen
De bijspraak in de windladen van het Hoofdwerk, Zwelwerk en Pedaal is verholpen. Het schapenleer is van alle ventielen verwijderd, de ventielen zijn gevlakt en opnieuw belijmd met eerste klas kwaliteits vilt en schapenleer. De ventielen van de Zwelwerk-lade zijn aan de achterzijde voorzien van een scharnierpunt in een stift, zodat de ventielen nu uitneembaar zijn.
Aan de bovenzijde van de windladen zijn rond iedere boring slijtvaste viltringen gelijmd. De slepen zijn opnieuw uitgeregeld.

Windvoorziening
Van de magazijnbalg is op alle hoeken het oude schapenleer verwijderd. Er is nieuw, soepel schapenleer op gelijmd met warme beenderenlijm. De belering aan de buitenzijde is vervangen door nieuwe stroken schapenleer. Scheuren in de balgbodem zijn eveneens met schapenleer belijmd. De aansluitingen van kanalen zijn voorzien van nieuw schapenleer. De bestaande windmotor is vervangen door een windmotor vande firma Laukhuff. De oude tremulant is vervangen door een nieuwe pneumatische tremulant.

Speelmechaniek
De metalen dokjes op het walsraam van het Hoofdwerk zijn vervangen door nieuw vervaardigde dokjes uit goed gedroogd eersteklas eikenhout. De dokjes zijn ingevilt met kernlaken. De stiften in de wellen zijn vernieuwd en vervangen door fosforbrons stiften. Alle versleten invoeringen in winkeltjes en wellenarmpjes zijn opnieuw ingevoerd.
Het pedaalklavier is opnieuw ingevilt en de zweltrede is opnieuw met rubber belijmd. Gescheurde of gebroken abstracten zijn vervangen door nieuwe abstracten. Afgebroken mechaniekdraden zijn vervangen door messingdraden. Als toevoeging is er een koppel van het Pedaal naar het Zwelwerk gemaakt.

Registermechaniek
De sleepwerkingen en het registermechaniek zijn zodanig gecorrigeerd dat de werkingen van de registertrekkers van de manualen gelijk zijn. De registerknoppen zijn op één lijn boven de klavieren aangebracht. De registerschildjes van plastic en de de slecht leesbare registerschildjes zijn vervangen door schildjes van porselein met daarop de benamingen geschilderd in het originele lettertype.

Overige werkzaamheden
De zweljaloezieën zijn voorzien van nieuwe spiraalveren; tevens is het vilt vervangen. Beschadigd pijpwerk is hersteld. Van de Octaaf 4' van het Hoofdwerk zijn een aantal pijpen uit elkaar gezaagd, de voeten opnieuw opgerond en weer in elkaar gesoldeerd. De pijpen zijn schoongemaakt en uitgedeukt.
Het pijpwerk van de Sexquialter is in de bas vervangen door goed gebruikt pijpwerk. Vanaf c klein is de Quint een halve toon opgeschoven. De gaten van het tertskoor zijn dicht gemaakt zodat alleen de Quint klinkt. Deze is als Quintfluit geïntoneerd. De benaming op het registerschildje is veranderd in Quintfluit 3'.
Er is veel medewerking door vrijwilligers uit de gemeente verleend bij de werkzaamheden; de pedaalkas is geheel nieuw gemaakt door vrijwilligers.
Door schildersbedrijf F.J. ten Berge is de orgelkas opnieuw geschilderd en verguld. De architect bepaalde de twee olijfgroene kleurstellingen voor de orgelkas.
Tot slot zijn de registers die in de loop der tijd waren toegevoegd geherintoneerd. De oude Leichel registers stonden model voor het klankbeeld.

Er staat in Rhenen weer een Leichel-orgel dat met grote zorg en vakmanschap is gerestaureerd. Het is onze wens dat dit orgel vele jaren tot eer van God zal mogen klinken in de eredienst.