Rapport betreffende het groot onderhoud en de herintonatie van het orgel in de Hofkerk te Goor
Sietze de Vries

1 Het instrument
Het orgel in de Hofkerk werd in 1970 gebouwd door orgelmaker Vierdag (Enschede) in een voor die tijd opmerkelijke kas. Deze fraaie orgelkas, naar 18e eeuws Westfaals voorbeeld, is in blank eiken uitgevoerd, waarbij nadrukkelijk aansluiting bij het kerkinterieur is gezocht. Zo vinden we de consoles van de plafondlijst in de kerk terug in de kappen van het orgel. Het fraaie snijwerk werd gemaakt door de heer Ter Braak uit Buurse. Voor orgelmaker Vierdag was dit instrument een prestige object, omdat hij nog nergens in zijn ‘eigen’ Twente een orgel had geplaatst. De koopsom was dan ook navenant: de orgelmaker heeft er veel geld op toe moeten leggen. Bovengenoemde zaken zullen zeker niet bij de toenmalige adviseur vandaan gekomen zijn, aangezien Lambert Erné een warm voorstander was van de Scandinavische orgelbouw, met zakelijke, moderne fronten. Opvallend is de eenvoudige frontvorm van het Rugwerk t.o.v. het meer dynamische Hoofdwerk. Het pedaal staat in een aparte kas achter het Hoofdwerk opgesteld. De dispositie, die wel typisch een kind van zijn tijd is, luidt:
Hoofdwerk C-f ’’’
Prestant8’
Roerfluit8’
Octaaf4’
Speelfluit (conisch)4’
Octaaf2’
MixtuurIV-VI
Trompet8’
Rugwerk C-f ’’’
Gedekt8’
Prestant4’
Roerfluit4’
Gemshoorn2’
Nasard1 1/3’
SexquialteraII
ScherpIV
Dulciaan8’
Pedaal C-f ’
Bourdon16’
Prestant8’
Octaaf4’
Bazuin16’
Schalmey4’
Speelhulpen
Koppel HW+RW
Koppel Ped+HW
Koppel Ped+Rw
Tremulant RW
Het instrument is klanktechnisch een bijzonder gaaf voorbeeld van ‘neobarokke’ orgelbouw. De intonatie is zeer verzorgd, waarbij met name de prachtige fluiten opvallen. Ook over de diverse legeringen van het pijpwerk is goed nagedacht: de prestantregisters van bijna puur tin en de fluiten met een aanzienlijk hoger loodgehalte. De windladen en mechanieken zijn in zeer diverse materialen uitgevoerd, zoals destijds gebruikelijk. Men zag dit als het beste antwoord op de moderne verwarmingssystemen in kerken, die door snelle verwarming en droogte het storingvrij functioneren van een orgel ernstig kunnen belemmeren. De windvoorziening bestond uit een windmotor (150 mm WK) en voor ieder werk een kleine (stoot)balg, die deze druk omzette in 87 mm (Hoofdwerk), 83 mm (Rugwerk) en 91 mm (pedaal). Hierdoor ontstaat een strakke wind en daarop aansluitend was het pijpwerk zo egaal mogelijk geïntoneerd.

2 Problemen
Vanaf begin negentiger jaren van de vorige eeuw doen zich de eerste slijtageproblemen voor, waarvan de meeste gebruikelijk zijn na ruim twintig jaar functioneren. Zo waren diverse toetsen behoorlijk afgesleten, net als de bevilting bij sommige draaipunten in de mechaniek. Ook waren leren delen zoals de pulpeten en de bovenzijde van de ventielen bros geworden door zowel slijtage als uitdroging en ontstond er daardoor lekkage. Er waren echter ook grotere problemen, die veroorzaakt werden door het materiaalgebruik in combinatie met de kerkverwarming. In de baroktijd komen we hoofdzakelijk eikenhout en koper tegen in het mechanische deel van het orgel en geen houtsoorten zoals teak, mahonie, red cedar, oregon pine en verlijmd plaatmateriaal. Omdat ieder materiaal anders reageert op temperatuur en vochtigheid, waren er met name in de windladen problemen ontstaan. Zo is de Hoofdwerk windlade zelf van eikenhout, maar zijn de zich daarin bevindende scheiden van red cedar. Omdat deze afscheidingen meer krimpen dan het eikenhout, ontstond er doorspraak in de lade. Hierdoor gaan er onbedoeld pijpen meeklinken als het orgel bespeeld wordt. Dit probleem kon alleen afdoend opgelost worden door de lade opnieuw af te dichten. Een heel ander ‘probleem’ vormde de veranderde akoestiek van de kerkzaal. In feite is de kerk na de ‘facelift’ een optimale ruimte geworden om te musiceren. Door het gebruik van veel harde materialen is er een royale nagalmtijd ontstaan. Maar omdat het orgel destijds op een minder klankreflecterende ruimte geïntoneerd is, werd de orgelklank na de kerkombouw als hard en schel ervaren. Nu zou het erg jammer zijn om de prachtige akoestiek van de kerkzaal aan te passen en daarom lag het meer voor de hand om naast het noodzakelijk groot onderhoud ook de intonatie van het orgel te herzien.

3 Uitgevoerde werkzaamheden
Orgelmaker Ide Boogaard heeft de volgende werkzaamheden uitgevoerd, die onder de noemer ‘groot onderhoud’ vallen:

Klanktechnisch is er ook e.a. aangepast, omdat de klank van het orgel zich in de gewijzigde akoestiek van de kerkzaal als erg hard en schel manifesteerde. Het is zeer wenselijk dat dit orgel als gaaf specimen van zijn tijd het oorspronkelijke klankkarakter behoudt; daarom is er naar gestreefd een oplossing te vinden die dat karakter niet aantast. De meest voor de hand liggende oplossing is het verlagen van de winddruk van het instrument tot een punt waarbij de agressiviteit in de klank verdwijnt en de pijpen toch nog goed aanspreken. Bij veel orgels is dit eenvoudig realiseerbaar door het gewicht dat op de blaasbalg(en) ligt te verminderen. Bij het Goorse orgel is e.a. gecompliceerder, omdat het orgel niet van grote (voor)balgen is voorzien, maar bijna rechtstreeks door de windmotor gevoed wordt. Deze windmotor heeft een behoorlijke overcapaciteit en is daardoor grotendeels verantwoordelijk is voor de onrustige en luide klank. De heren v.d. Linde en Op den Dries hebben een belangrijke bijdrage geleverd in de oplossing van dit windprobleem. Het voorschakelen van een frequentieregelaar leidde tot een lager toerental van de motor waardoor de wind veel rustiger en met een lagere druk (thans 115 mm) het orgel voedt. De winddrukken van het Hoofdwerk, Rugwerk en het Pedaal zijn nu resp. 78-, 74- en 82 mm waterkolom. De onrust in de klank, die in feite door de motorturbulentie veroorzaakt werd, is verdwenen, terwijl tegelijk de winddruk met 9 mm naar beneden gebracht is. Hiervoor hoefden de aanwezige (schaar)balgen niet gewijzigd te worden. Deze ingreep is geheel reversibel. De intonatie is waar nodig enigszins aangepast op deze nieuwe winddrukken en het pijpwerk is generaal gestemd. De enige wezenlijke klanktechnische ingreep is het stom maken van het hoogste koor van de Hoofdwerkmixtuur. Hierdoor is de plenumklank milder geworden en heeft ook het volle werk geen ‘overcapaciteit’ meer in de ruimte. De pijpen zijn eenvoudig weer sprekend te maken, zodat ook deze ingreep geheel reversibel is. Het orgel heeft zo nog steeds de kenmerkende heldere en penetrante klank, maar zonder de eerder aanwezige agressiviteit.

4 De akoestiek
Het orgel van de Hofkerk manifesteert zich als een inspirerend instrument, met een voortreffelijke speelaard. De prachtige akoestiek van de kerk draagt in hoge mate bij aan dit fraaie klankresultaat. Nu is het begrijpelijk dat wat voor muziek ideaal is, voor het gesproken woord juist een nadeel kan zijn. De lange nagalm kan hinderlijk werken als er bijvoorbeeld naar een preek of lezing geluisterd wordt. Nu zijn er enkele eenvoudige oplossingen voor dit probleem die ik hier met name wil noemen. De oplossing is niet om de akoestiek van de kerkzaal te veranderen door de nagalmtijd permanent te reduceren. Kerken met zo’n prachtige akoestiek als die in Goor zijn zeldzaam en eenmaal aangebrachte bouwkundige correcties (zoals plaatmateriaal of andere absorberende materialen) zijn moeilijk weer ongedaan te maken. Er zijn twee zeer bruikbare oplossingen:

Ik spreek de hoop en de verwachting uit dat de Hofkerk van Goor naast de zondagse erediensten ook veel gebruikt mag worden voor (orgel)concerten; zowel de ruimte als het instrument verdienen dit!

Noordhorn, 10-10-2007 © Sietze de Vries